logo
 

De eerste keer chemo

Mijn rotgevoel dat je de kinderen alweer achter moet laten zakt na een tijdje. De een aait me over mijn bol voor hij naar school gaat en de ander komt met z’n kleine koppie net boven de vensterbank uit. Er wordt wel op hen gepast maar toch, het gevoel blijft. Daar ben je ook moeder voor.

Volgt in het ziekenhuis nog een gesprek met meer van hetzelfde, met de maatschappelijk medewerkster van de afdeling. Die ziet gauw dat ik daar niet op zit te wachten, maar misschien manlief wel. Het mag ook alleen om hem gaan. Oké, fijn om te weten.

Als ik op de afdeling kom en mijn spullen in het nachtkastje stop zie ik dat het een vierpersoonskamer is. Na een tijd gewacht te hebben komen ze van de roomservice je bestelling opnemen. Dit is een project van het CWZ zelf en vooral op deze afdeling, voor de chemopatiënten. Ik val met mijn neus dus letterlijk in de boter. Roomboter nog wel. Op een kräcker, boterham met kaas, kopje thee. Je mag van alles kiezen voor je lunch. En dat doe ik dus ook.

Dan hebben de verpleegkundigen pauze. Ik zeg vrolijk: ‘Ja hoor, ga maar.’ ‘Het moet toch, hoor, dat infuus,’ lacht een oudere man, meneer Faassen, tegenover me. ‘Je kunt nu niet meer terug.’ Hij is een man alleen, heeft tot in zijn dertiger jaren bij zijn ouders gewoond en doet thuis alles in zijn uppie. Dat vind ik best knap voor een oudere man.

Als ik de kamer rond kijk zie ik een jonge vrouw bij het raam. Gemma. Ze vertelt dat ze al langer ziek is, ze heeft verschillende soorten kanker. Ook heeft ze enkele operaties achter de rug. Ze is een jaar jonger dan ik ben. Ze is erg aardig en kan nog lachen ook. Dat is heel wat als je dat nu nog kan.

Dan komt er een oudere vrouw met haar man binnen. Zij ligt dus naast mij. Ze heet Corry en blijkt een pruik op te hebben want als ze omgekleed en wel het bed in stapt heeft ze ineens een hoofddoekje op. Ze hebben vroeger een winkel gehad en ze praat graag en vrolijk over die tijd. Dat vind ik wel leuk. Ben ik niet de enige kwebbel. Heel grappig voor een man: meneer Faassen kan ook kwebbelen. De enige die niet kwebbelt zit naast me.

Mijn man zit een beetje gespannen bij mijn bed. Hij weet dat ze me direct gaan prikken voor het infuus en hij is panisch voor injecties. Trauma overhouden van vroeger. Als tweejarige twee maanden in het ziekenhuis met een beenmergontsteking en trombosebeentje. Zijn ene been is daardoor een cm korter dan het andere en hij heeft er een dikke spatader aan overgehouden. Te strak gips. Heeft hij nog geluk gehad. Tja, vroeger zei niemand iets over een mislukte ingreep, nu wel gelukkig.

Dan komen de verpleegkundigen weer terug. Marianne, Marij, Marleen (what’s in a name.) Beetje verwarrend. Ze hebben allemaal namen beginnend met een ‘M.’ Het infuus proberen ze bij me in te brengen op de rechterpols. Maar mijn aderen zijn niet goed te vinden, zitten diep en zijn klein bovendien. Ook ben ik in de zomer lekker bruin geworden dus ze kunnen het niet vinden… ben ik een alien?! Sigourney Weaver, here I come!

De eerste prik… en een dikker plastic buisje wat in je onderarm gestoken wordt zit niet goed. Er komt meteen een bult op als ze met een zoutoplossing kijken of het werkt. Hup, dat gaat er weer uit. Moet ik even met de arm onder de hete kraan, daar schijnen je aders van op te zwellen. Dat klopt want dat gebeurt in de zomer ook als het warm is buiten. Het bloed zet dan uit. Nog een keer die ellendige naald dan... Ze prikken het liefst onderin de arm want dat is de minst gevoelige plek voor infusen. Maar bij mij wordt het in het midden van mijn rechterhand gezet en dat doet een beetje pijn. Maar ik ben een bikkel.

Kerst, 2011

Wow, als ik dit teruglees voelt het alsof ik de diagnose van toen ook nu krijg. Ik vond het al gelijk heel raar dat mensen op zo’n afdeling nog plezier konden hebben. Dat trof me aangenaam en ook nu weer. Ik kan me de gezichten van die mensen voor de geest halen, leuke, aardige mensen en ik hoop dat er een paar van zijn blijven leven. Dat is eng, je weet het maar nooit.

Je onthoudt alles van die eerste ingrijpende dagen, de kleinere dingen soms maanden later. Het eten wat ik bijvoorbeeld kreeg associeer ik blijvend met mijn dag en nacht in het ziekenhuis. Zo ingrijpend is dat dus geweest maar dat voel je achteraf pas.

Het inbrengen van het infuus gebeurde in 2009, toen het een tweede keer terugkwam, op dezelfde manier als in 2006. Met vlindernaaldjes als verschil. Naaldjes, bedoeld voor de kleinere vaatjes. Tegenwoordig bestaat er ook een veinviewer. Met dit bepaald handscanapparaat lichten de aderen op en weet de verpleging waar te prikken. Ze hebben het steeds vaker overal. Vraag ernaar! Doe ik ook regelmatig.

Tegenwoordig blijf ik namelijk maandelijks bifosfonaten toegediend krijgen, goed voor de botten en het hele lichaam, zeggen ze. En nu vertel ik mijn 'geheim': wat ik nog steeds doe om de aderen te laten zwellen en het bloed goed te laten doorlopen. Het drinken van een klein flesje witte of roséwijn. Een Caneitje. Ik noem het liever “mijn champagneontbijt”. Als ik geprikt moet worden drink ik dat, plus een flesje met ontbijtgranen. Ik ben wel zo slim om mijn anti-hormoonpil pas later in te nemen. Want pillen en alcohol, die gaan niet samen. Maar als dit flesje met alcohol het prikken verbetert waarom niet…! 'Als ik maar niet teut' op het CWZ verschijn,” zeiden ze, haha. Daar hoeven ze niet bang voor te zijn, de chemo heeft die roes kapotgemaakt. Echt waar!