logo
 

Onheilstijding

3 februari 2006. Hans komt om twaalf uur brullend van het werk terug. Hij ziet allemaal vrouwen met kinderen, op de fiets, met de buggy. En ik kijk hem meewarig aan. Ik huil niet. Wat een doemdenker, denk ik. Zijn ouders komen oppassen. Weer gehuil. Het gaat langs me heen, al die emoties.

Om half drie zitten we bij de internist, die verdacht veel lijkt op Hugh Grant. Hij valt meteen met de deur in huis ‘We hebben veel te bepraten, mevrouw van Heumen, want u hebt borstkanker met uitzaaiingen naar de lever.’Ik kijk hem onbewogen, zelfs apathisch aan.Ik voel het bloed wegtrekken.

‘Het is ongeneeslijk en we kunnen u niet meer beter maken. U krijgt chemo en uw haar valt uit.’

 

Zo. Dat je het maar weet. Ik besta het nog om heel lollig op te merken: ‘Och, ik vond mijn haar toch al niet leuk genoeg zitten.’ Ze kijken me stomverbaasd aan. Mijn man zit naast me met rode oogjes. Als iemand van ons twee nou een slecht hart heeft, kunnen ze ons ook nog oprapen na een hartaanval.

Dat mag  toch niet allemaal even – baf! - gezegd worden? Aan de andere kant: wie is er nu het meest geschrokken van allemaal? De arts waarschijnlijk,van mijn reactie…

‘Maar,’ klinkt de stem van Hugh Grant weer. ‘We kunnen het wel zoveel mogelijk laten verschrompelen en proberen te stabiliseren. Dat is al heel wat.’

 

Nou ja! Leuk, die artsen van tegenwoordig. Punt een: waarom beginnen ze niet met het laatste? En punt twee: die noemen dan maar gewoon het ergste scenario omdat je dan geen rechtszaak begint. Want de artsen hebben zich bij voorbaat ingedekt. Dat is natuurlijk alleen mijn mening. Hoezo, recht op eerlijkheid? Je bent toch niet gek? Als het gestabiliseerd en verschrompeld is kan het na lange tijd toch terugkomen. Dat is voor iedereen die kanker in het lichaam heeft een risico. Daar ben je gewoon gevoelig voor. Het zit in je genen.

 

Daarna mag je naar een sociaal verpleegkundige, de mamacare. Die zegt dat het maatschappelijk werk van het ziekenhuis er voor je is als je het nodig hebt en je krijgt een visitekaartje mee. Oh ja, ze zetten een grote doos vol tissues voor je neus. Die ik niet nodig heb. Manlief wel, maar ik zie dat hij zijn best doet om er niet naar te grijpen, hij kijkt er strak naar. Ik ben alleen maar woedend onder het mom van onderkoelde humor. Je ziet niet eens dat ik kwaad ben.

 

Nu opnieuw bloed prikken en longfoto’s maken. En dan kunnen we alweer naar huis.

Wat een dag!

 

Zomer 2011

 

Dat vond ik het ergste, dat zo’n arts meteen maar bij het ergste begon. Waarom zei hij nou niet eerst dat ze het gingen stabiliseren en er van alles aan deden om het tot stilstaan te bewegen? Dat ik die borstkanker had dat wist ik allang.

 

Er gaat je daar heus wel een lichtje branden, hoor. Ze mogen niet meteen doen alsof je ten dode bent opgeschreven, dat hoeft helemaal niet. Oké, ik had het ergste scenario maar dan nog. Ik ben het levende voorbeeld dat je het kunt overleven. Twee keer zelfs omdat het dus terugkwam, zoals voorspeld. Omdat het ‘enkel gestabiliseerd’ was. Maar al die meewarige gezichten van iedereen…

 

Ik wilde niet zielig gevonden worden, ik zat vol emoties, vol woede, vol angst. Ik wilde dit delen met lotgenoten maar zo, dat ze er wat aan hadden. Niet enkel leegkiepen van die bak ellende. Wat heb je daar nu aan?

 

Nee, ik wilde er wat mee doen. Eerst maar even over brainstormen en piekeren, misschien wist ik dan wat ik precies in gedachten had, was mijn idee. Er zwom zoveel door mijn kop heen, toen.

 

Marleen Mutsaers