logo
 

De echo

1 februari 2006. Na een half uur gewacht te hebben op het puntje van – alweer - een ongemakkelijke houten stoel ben ik eindelijk aan de beurt. De vriendelijke echoscopist en zijn assistent smeren erg koude gel op mijn buik. Dit keer niet naar aanleiding van een zwangerschap, helaas.

Er is een lever vol vlekken te zien, zegt hij. Dat mag niet, op een echo ziet de lever er eigenlijk egaal grijs van kleur uit. Ik merk nog op dat ik misschien wel een hele vrolijke lever heb, zo vol confetti. Heel jolig van mezelf in het kader van carnaval.

 

We zijn amper een kwartier thuis als de dokter belt. Of ze kan komen praten. Oh, dat klinkt niet goed, schiet er door me heen. Een heel ernstig gesprek verder heeft de dokter me al verteld dat het waarschijnlijk borstkanker is met uitzaaiingen naar de lever. Ik kijk haar onbewogen aan, maak daarna zelfs grapjes, terwijl mijn man op het punt staat in huilen uit te barsten.

‘Ach,’ zeg ik, ‘ik weet wel dat ik geen 60 zal worden.’

Nu kijken ze me allebei raar aan. Hoe kan ik dat, zo reageren. Zou ik het allemaal wel mee hebben gekregen? Ja dus. Maar ik heb geen zin om te reageren zoals zij willen. Ik ben alleen bijzonder kwaad.

 

Heel mijn leven heb ik dus niets gehad, geen enkele nacht in een ziekenhuis gelegen en dan is het TOEVALLIG na een niersteenaanval dat ze dit ontdekken? Nee, ik geloof niet in toeval. Ik denk eerder aan mijn lieve schoonzus die in juni 2005 stierf aan twee longziektes. Waarvan eén longziekte een paar honderd mensen in Nederland trof. Aan de tweede leden enkelen. Zij had geen schijn van kans. Ze zeiden zelfs tegen haar dat ze 'beter een kankerpatiënte had kunnen zijn'. Mijn jongste broer, haar man, snapte dat wel van de arts. Maar ik niet. Zoiets zeg je niet als specialist. Hoezo 'beter'? Je zult maar alvleesklierkanker hebben!

 

Een erg onwezenlijke woensdag.

 

Juni 2011

 

Ja, het is echt waar, ik heb hele vrolijke hormoontjes. En als ze nog erfelijk zijn ook dan heb ik ook nooit last van de overgang. Dat klopt vooralsnog wel, geen opvliegers, geen migraine, niets van dat alles. Ik heb niet alleen vrolijke hormoontjes, ik ben eigenlijk helemaal vrolijk. Ik zie overal altijd het positieve van alles in. Ik doe alles voor de volle honderd procent. Na die akelige dag van wachten en onderzoek en weken van wachten na de botscan, deed ik nog niet aan doemdenken. Echt, ik was maar even razend op mijn eigen lichaam.

 

Dat komt omdat je wel door moet met je leven, je hebt maar één lichaam dat wil eten en drinken, ik heb kinderen die naar school gaan. Het was net carnaval. Tja, ik kom oorspronkelijk uit Brabant, dus ik heb het toch wat versierd in huis. Ik weet nog wel wat een rare sfeer er hing. Dat was mijn rebellie tegen die rotziekte. Gewoon meedoen met de feestdagen, ik was er nog en zou niet zomaar opgeven… dat idee.