logo
 

Ethisch verantwoorde boosheid

De opleiding stervensbegeleiding aan de Hogeschool voor Geesteswetenschappen in Utrecht is bijna afgelopen. Er volgt nog één module over rituelen. Even was ik druk bezig met het maken van tentamens.

Als u op latere leeftijd ook nog eens examens heeft moeten doen, kent u misschien het gevoel van pfffff, moet dat nou? Had ik bij het begin ook, vooral omdat ik eerst een aantal boeken moest lezen: “Het  voertuig van de ziel” van Hein van Dongen en Hans Gerding  over het fijnstoffelijk lichaam. Zware kost.  “Verplegen met geweten” van Henri Rijksen over ethische vragen in het werk van zorgverleners ging me veel beter af.

Ethiek is voor mij niet iets abstracts, het is voor mij de kleur of manier van mijn kijken en handelen. Rijksen heeft het in zijn boek over directe en indirecte zorg: de directe zorg is het volgens vaste theorieën en modellen uitvoeren van handelingen. Indirecte zorg gaat over hoe deze handelingen op een menswaardige - dus ethische - manier worden ingevuld. Bij de zorg voor onze gasten in het hospice kom ik voortdurend ethische vragen tegen: wat kan/moet ik als mens voor deze unieke gast? Wat is in zijn belang? Hoe handel ik menswaardig? Welke keuze maak ik bij een dilemma?

Voor mezelf ben ik - tijdens het maken van het tentamen - op de volgende definitie uit gekomen: ik wil een betrokken, meelevende, goed luisterende en interpreterende zorgverlener zijn die in elke situatie de noodzakelijke handelingen op de voor elke gast juiste manier kan toepassen. Simpel? Nee, helemaal niet. Een voorbeeld is de situatie die ik gisteren met onze gast H. meegemaakt heb. H. heeft longkanker met uitzaaiingen in de hersenen, waardoor hij het praten soms niet meer goed kan controleren, vaak komen de woorden er in staccato en hard uit. H. was (volgens zijn familie) en is een mens met een ingewikkelde gebruiksaanwijzing, heel ongeduldig en eigenwijs. Hij is gewend iedereen de baas te zijn. Stoppen met roken en drinken was nooit een optie, dan zou zijn lichaam het van hem gewonnen hebben. Nu ligt H. sinds een aantal weken bij ons. Boos, omdat zijn vrouw hem weggestopt heeft. Omdat zijn lichaam nu niet meer doet wat hij wil. Omdat hij geen controle meer heeft. Omdat hij een hekel heeft aan al de goed bedoelende vrijwilligers die hem zouden willen verwennen. Omdat hij dood gaat.

In mijn vorige diensten kon ik goed contact maken met H., door hem duidelijk te maken dat ik geen oordeel heb over hem. Ik  heb - als niet-rookster - heel wat sigaretjes met H. gerookt, bij de open tuindeur. Om veiligheidsredenen mag hij dat niet alleen doen. Over koetjes en kalfjes konden wij makkelijk praten en lachen. Ik respecteerde dat H. het niet over persoonlijke dingen wilde hebben.

Ik had H. een aantal dagen niet gezien en ik had van de verpleegkundige al gehoord dat H. een grote stap achteruit gegaan is en ook s’ nachts heel onrustig is geweest. Hij moest continu hoesten en was in de war. Met een open houding ging ik - met de sigaret-aansteker en een kop koffie - de kamer binnen en H. was blij om de eerste sigaret van de dag te kunnen roken. Maar het hoesten en de benauwdheid maakten het heel lastig voor H. De as viel op zijn broek, hij knoeide met de koffie - en hij ontplofte. Alles was mis, ik natuurlijk ook, ik snapte niets van zijn situatie en sowieso wilde hij nu eindelijk dood. Ik knikte alleen maar, zei niets en liet H. op adem komen. Hij gaf daarna aan dat hij nog een poos wilde slapen waarop ik zei: “Dat hoesten is zeker vermoeiend, goed dat je nog even rust houdt.”  Waarop ik nog eens allemaal scheldwoorden over me heen kreeg, een dreun kon ik zo krijgen omdat ik me niets van zijn situatie kon voorstellen. Ik bleef zwijgend staan, tot hij weer enigszins gekalmeerd was. “Ik kom over een half uur weer kijken hoe het met je is”, zei ik en hij knikte, hij was helemaal op. Een halfuur later was H. diep in slaap, en ook de rest van de ochtend niet meer wakker.

Wat deed deze situatie met mij? Ik had absoluut begrip voor de woede van H. en voelde me niet beledigd, wel raakte mij zijn woede. Op dat moment was het volgens mij zijn enige mogelijkheid om nog grip te hebben op zijn toestand. Toevallig was ik degene die het over zich heen kreeg en ik kon na het verlaten van de kamer de lelijke woorden letterlijk van me afschudden. Had ik iets anders moeten doen of zeggen? Van onze docent Arthur Polspoel  (een grijze en heel wijze en bijzondere man en schrijver van het boek ”Wenen om het verloren ik”) heb ik geleerd dat het goed is als mensen bij hun gevoelens komen en deze kunnen uiten. Onze rol is het dan, daarnaast blijven staan, het gevoel van de ander te zien en te herkennen. Tijdens het schelden van H. zag ik het gezicht van onze docent voor me en volgens mij knikte hij goedkeurend....

Tot blogs!

Renate